donderdag 25 april 2013

Proberen?


“Ik ga het proberen….” Sommige mensen vinden een dergelijke zin getuigen van weinig daadkracht. Ze vinden het als het ware “slappe hap”. Ze reageren zo:”Proberen? Daar heb je niks aan! Wat ga je ECHT doen!”

Het woord proberen of uitproberen wordt in oplossingsgerichte gesprekken anders gezien. Namelijk als een prima begin. Een laagdrempelige start. Een experiment. Een speelse manier van ontdekken wat werkt.

Uitproberen heeft ook een nieuwsgierige toon. Als ik het zometeen uitprobeer, waar kom ik dan achter? Wat werkt? Wat zou het me kunnen opleveren als ik het uitprobeer?

In tegenstelling tot deze uitnodigende, nieuwsgierige houding is “wt ga je nou ECHT doen!” een houding van druk leggen op de ander. Maak het eens concreet! Er spreekt een negatieve verwachting uit. Alsof de persoon niet veel fiducie heeft dat de ander in beweging gaat komen.

In stuursituaties kan het wel belangrijk zijn dat iemand echt gaat doen wat de bedoeling is en dan zijn concrete afspraken over wat de ander gaat doen wel aan de orde. Dan moet er immers iets gebeuren binnen een bepaalde termijn. “Hoe kun je ervoor zorgen dat je het binnen twee weken voor elkaar krijgt?” Als iemand op die vraag zegt “Eh…ik kan het gaan proberen”…., dan is een oplossingsgerichte reactie die goed werkt:”Prima om te horen dat je het gaat proberen. Wat zijn je ideeën over hoe je dit kunt aanpakken? Ik spreek je graag volgende week opnieuw om te horen hoe het je is gelukt!”

donderdag 18 april 2013

Slecht nieuws voor onze geestelijke gezondheid: de DSM-5



Allen Frances was de voorzitter van de DSM-4 taakgroep en professor emeritus aan de Duke universiteit. De DSM-serie wordt gezien als de “bijbel” van de psychiatrie, met een beschrijving van alle symptomen die bij bepaalde geestelijke ziektes optreden. Niet alleen psychiaters gebruiken de DSM om een diagnose te stellen aan welke ziekte hun patient lijdt, ook therapeuten en coaches gebruiken deze. Binnenkort komt de DSM-5 uit en Frances noemt de nieuwe “bijbel” van de psychiatrie het verdrietigste moment in de geschiedenis van de psychiatrie. Hij stelt dat de DSM-5 fundamenteel fout is, onveilig en wetenschappelijk niet onderbouwd. Dit zijn enkele belangrijke kritiekpunten van Frances (hier en hier):

1. DSM-5 verandert woede uitbarstingen in een geestelijke ziekte, op basis van het werk van slechts 1 onderzoeksgroep. De angst van Frances is dat deze verlaging van de drempel om als “ziek”bestempeld te worden gaat leiden tot nog meer kinderen die medicijnen voorgeschreven krijgen. In de laatste twee decennia is er aldus Frances al een verdrievoudiging van het aantal kinderen dat de diagnose attention deficit (ADHD) heeft gekregen en een vertwintigvoudiging van het aantal kinderen dat een diagnose in het autistisch spectrum heeft gekregen en een verveertigvoudiging van het aantal kinderen dat de diagnose bipolaire disorder heeft gekregen. Wat de geestelijke gezondheidszorg zou moeten doen is toegeven hoe moeilijk het is om een diagnose te stellen bij kinderen en duidelijk maken aan het publiek dat er een grote kans op overdiagnose bestaat. In plaats daarvan komt DSM-5 met een nieuwe ziekte, plus de aanbevelingen die ziekte met medicijnen te behandelen: woede uitbarstingen in kinderen. Dus waar we vroeger een kind van twee dat gillend in de supermarkt op de grond ligt zagen als een normaal gezond kind dat nog moet leren om zijn emoties te beheersen, zien we dat kind nu als iemand met een aandoening, een ziekte, die medicijnen toegediend moet gaan krijgen.

2. normale rouw wordt in de DSM-5 een depressieve mentale ziekte, die met medicijnen behandeld moet worden en dat bagatelliseert ons menselijk vermogen om om te gaan met de tegenslagen die inherent zijn aan het leven

3. als ouderen dagelijkse dingetjes vergeten, werd dat vroeger gezien als normaal onderdeel van ouder worden, in de DSM-5 is het een ziekte met de naam “neurocognitieve aandoening” . Daardoor loopt een enorme hoeveel mensen de kans de diagnose van deze aandoening te krijgen en daarmee lopen ze dan ook het risico op dementie. Aangezien er geen genezing mogelijk is van de neurocognitieve aandoening of van dementie, geeft de diagnose geen enkel voordeel, en werkt het alleen maar angst en ellende in de hand.

4. De diagnose van ADHD in volwassenen zal sterk toenemen doordat in de DSM-5 de drempel om met die ziekte gediagnosticeerd te worden is verlaagd.

5. als je 12 keer in drie maanden je te buiten gaat aan eten lijdt je volgens de DSM-5 aan de psychiatrische ziekte van Binge eating. Je eetbui heeft dus niets te maken met een laag glucose niveau of met de beschikbaarheid van lekker eten, maar met de ziekte waaraan je lijdt: binge eating.

6 mensen die voor het eerst drugs of alcohol misbruiken worden op dezelfde manier gediagnosticeerd als mensen die drugs of alcohol verslaafd zijn

7. alles wat we graag doen en waar we graag veel tijd in steken kan eenvoudig worden beloond met de diagnose “verslaving”, omdat de DSM-5 een nieuwe ziekte heeft geïntroduceerd: gedragsverslaving.

8. je zorgen maken is voor je het weet een ziekte met de naam “algemene angst aandoening”. Door de wijzigingen in de criteria wanneer je lijdt aan deze aandoening lopen vele mensen de kans om niet een gezond persoon te zijn die zich zorgen maakt over iets, maar iemand te zijn met een geestelijke ziekte met de naam: algemene angst aandoening.

Frances stelt: DSM-5 schendt het meest heilige principe van de gezondheidszorg: berokken in de eerste plaats geen schade!

Hier kun je meer lezen over probleeminductie, therapiecultuur en overdiagnose

vrijdag 12 april 2013

Hoe ziet probleem inductie eruit?



Hoewel weinig mensen de bedoeling hebben iemand anders een probleem “aan te praten”, kan het wel snel gebeuren. Hier is een voorbeeld van hoe een cliënt in een interactie met een coach opeens een probleem kan krijgen dat hij voor die interactie niet had:

Client
Dus ik zit in dubio, ga ik nu die stap zetten en die nieuwe baan accepteren of blijf ik doen wat ik nu doe?
Coach
Dus je zit in dubio… wat maakt het zo moeilijk om te beslissen?
Client
Ik weet wat ik heb en niet wat ik krijg. Mijn huidige baan is echt prima en ik werk samen met hele leuke mensen, maar ik doe het al jaren en er zit niet echt uitdaging meer in… Die nieuwe baan zal heel uitdagend worden en ik weet niet wat ik daar allemaal in zal tegenkomen, en met wie ik zal gaan werken….
Coach
Ja, nieuwe stappen vragen moed he… niemand kan in de toekomst kijken…
Client
Nee, kon ik maar in de toekomst kijken inderdaad…
Coach
Ja, lastig voor je….nieuwe stappen vragen altijd tolerantie voor onzekerheid…
Client
Hmmm…tolerantie voor onzekerheid…?
Coach
Ja, voor een nieuwe stap heb je moed nodig en je moet er tegen kunnen dat het nog onzeker is hoe het gaat uitpakken.
Client
Tja…misschien is dat het…dat ik het moeilijk vindt om met onzekerheid om te gaan….
Coach
Ja, denk je? Waar komt dat vandaan denk je….dat je het moeilijk vindt om met onzekerheid om te gaan?
Client
Eh….


In dit voorbeeld kwam de cliënt met een keuzeprobleem en binnen een paar interventies van de coach heeft hij een ander probleem. Hoewel de coach probeert aan te sluiten bij de cliënt en probeert de cliënt erkenning te geven voor diens keuzeprobleem, sluipt er een probleeminducerende samenvatting in de interactie “ja nieuwe stappen vragen moed he…” Het gaat zo subtiel dat coach noch cliënt na afloop zullen concluderen dat het eigenlijk de coach was die het probleem induceerde. De cliënt gaat zelf ook geloven dat zijn keuzeprobleem eigenlijk een onderliggend probleem heeft “niet moedig genoeg zijn om met onzekerheid over de toekomst te kunnen omgaan”. 

Hier zijn tien voorbeelden van probleem inducerende vragen en opmerkingen:
  1. Heb je dat altijd al gehad dat je problemen had met xxx?
  2. Hoe komt het dat je dat zo emotioneert? Wat doet dat met jou?
  3. Waarom reageer je nu zo defensief?
  4. Wat probeer jij te beschermen?
  5. Volgens mij heb jij veel onverwerkt verdriet…..
  6. Ik voel intuïtief aan dat er eigenlijk nog iets anders speelt bij jou….
  7. Hier schrik ik wel van….ik vraag me af of je depressief aan het worden bent…
  8. Zou je deze vragenlijst eens willen invullen? Dan kan ik op basis daarvan een diagnose stellen over je geestelijke gezondheid
  9. Als ik jouw symptomen zo hoor dan vermoed ik dat je ADHD hebt
  10. Wat houdt jou nou tegen?



vrijdag 29 maart 2013

Adviseren: werkt het?

Joh, jij moet gewoon een andere baan gaan zoeken! Je loopt al jaren te klagen over je werk, je zegt steeds dat het binnenkort wel minder druk zal gaan worden, maar zo lang ik je ken ben je al elk weekend aan het overwerken!

Adviseren, gevraagd en ongevraagd: werkt het? 

  • Ongevraagd advies geven kan een "reactance effect" oproepen bij de ander, als die zich bedreigd voelt in zijn vrijheid. Als mensen het gevoel hebben dat anderen hen ergens van proberen te overtuigen, beschermen ze zichzelf en wordt hun vrijheid nog belangrijker. Als het reactance effect optreedt zijn mensen minder, in plaats van meer, geneigd om het advies op te volgen (Brehm).
  • Het blijkt grote voordelen te hebben als mensen zelf hun oplossingen formuleren. Ze leggen het dan als het ware aan zichzelf uit. Als iemand een advies krijgt, is hij vaak aan het luisteren naar de ander. Die ander is aan het woord en legt uit waarom zijn advies zo'n goed idee is. Het kan goed zijn dat de ontvanger van het advies het advies nauwelijks in zich opneemt. Als mensen hun eigen redeneringen opbouwen en zichzelf uitleggen hoe ze de dingen moeten zien, leren ze veel meer dan wanneer ze luisteren naar de uitleg van iemand anders (Bloom).
  • Als mensen advies krijgen kunnen ze concluderen dat de adviseur denkt dat ze het niet zelf kunnen oplossen. Het advies kan een gevoel van incompetentie oproepen. Mensen willen graag autonoom zijn en een gevoel van competentie hebben. In een adviessituatie is de adviseur de expert, wat degene die het advies krijgt een afhankelijk en incompetente perceptie kan geven. (Deci, Ryan).
  • Maar als iemand zelf om advies vraagt, dan kun je toch wel direct tips en adviezen geven? Zelfs als iemand zelf om advies vraagt is het direct geven van advies vaak niet de beste strategie. In plaats daarvan is het stellen van leidende vragen, die de ander helpen om zijn eigen redenering te doorlopen, vaak effectiever. De vraag om advies kan zelfs verdwijnen op het moment dat de persoon door de vragen zelf begint te beredeneren hoe hij over de dingen denkt. (Lepper, Woolverton)

  • Adviseren is en blijft denk ik nuttig, onder specifieke omstandigheden. Bijvoorbeeld in situaties waarin de persoon die advies vraagt de adviseur het mandaat geeft om te adviseren, hij zich al redelijk competent voelt en open staat voor negatieve feedback (Fishbach). Of in situaties waarin de persoon de oplossing echt niet zelf kan bedenken, vanwege een gebrek aan specifieke domeinkennis en ervaring (Lepper, Woolverton). 

  • Ongevraagd advies kan denk ik soms ook heel goed werken als iemand iemand ergens op wijst waar die persoon zich niet van bewust is. De banden van je auto zijn bijvoorbeeld aan vervanging toe en iemand attendeert je erop dat het gevaarlijk is en je er beter iets aan kunt laten doen. Of je besprenkelt je elke dag met dezelfde parfum en hebt niet meer in de gaten dat je vanaf een kilometer afstand te ruiken bent en iemand attendeert je er op.

Ken jij wetenschappelijke onderzoeken naar wat werkt ten aanzien van het geven en krijgen van advies?
 
 
 

donderdag 28 maart 2013

Formuleringen verzamelen op de koelkast



Gisteren vertelde een manager in onze training progressiegericht leidinggeven iets wat de andere deelnemers handig vonden. Hij realiseerde zich dat oplossingsgerichte communicatie gebruik  maakt van hele eenvoudige vragen en zinnen, die tegelijkertijd niet zo eenvoudig zijn om snel te bedenken. Daarom was deze manager formuleringen gaan verzamelen.

Als hij een mooie formulering tegen kwam, dan schreef hij die op een correspondentiekaart en die kaart prikte hij op een plek waar hij vaak kwam. Op de koelkast in de keuken, in de badkamer naast de spiegel, in de wc op de deur…. Hij vertelde dat hij vroeger ook al zo leerde. Doordat hij de formuleringen nu regelmatig tegen kwam, terwijl hij de dingen deed die hij automatisch deed (koken, tanden poetsen,..) sleten de formuleringen steeds meer in. Daardoor werd het steeds makkelijker om bepaalde formuleringen paraat te hebben als de manager ze nodig had.

Een paar voorbeelden van formuleringen die de deelnemers gisteren handig vonden om te onthouden:

In plaats van “ik maak me zorgen omdat jij en je collega steeds met elkaar overhoop liggen” noteerde een manager de formulering: “ik wil graag toegroeien naar een situatie waarin jij en je collega constructief samenwerken, zodat de kinderen merken dat jullie op 1 lijn zitten”.

In plaats van “wat gaat er hier allemaal fout?”  noteerde een manager de formulering: “waaraan willen we iets verbeteren?”

In plaats van “jij stoot collega’s van je af omdat je altijd zo directief en bot bent…herken je dat?”  noteerde een manager:”hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat je op zo’n manier communiceert met je collega’s dat de samenwerking goed blijft én we inhoudelijk van elkaar leren in ons team?” 

In plaats van "hoe ziet de ideale situatie eruit?"  noteerde een manager "stel dat de situatie wordt zoals je graag wil dat die wordt, wat gaat er dan beter?"